De kapel wordt voor het eerst genoemd in een akte in april 1344. Dan doen Gijsbert de Vijfde, Heer van Bronkhorst en zijn vrouw Catharina van Leefdael schenkingen aan de kapel ter ere van de Heilige Maagd Maria en Sint Maarten.
In die akte spreekt men van een ‘opnieuw gestichte kapel’, waaruit blijkt dat het kapelletje een voorganger had nabij het kasteel Bronckhorst. Dat kasteel stond op de mottenheuvel, met uitzicht op de IJssel, en komt al in 1100 in de literatuur voor.
Na de hervorming was er meestal één dienst per jaar, waarschijnlijk voor het begin van de jaarlijkse kermis in Bronkhorst.
In 1633 woedde een grote brand in Bronkhorst. De kapel werd hersteld en kreeg een nieuwe toren, waarin een nu nog aanwezige luidklok hangt, geschonken door Herman Otto. Het randschrift van die klok is: Otto Graef tot Limborch en Bronckhorst Here toe Stirum Wisch Borculoe en Ghemen, Erfbannerheer des Furstendoms Gelre en Graefschaps Zutphen Gouverneur tot Groenloe anno 1638.
In de loop van de achttiende eeuw raakte het kerkje in verval, ondanks herstelwerkzaamheden in die eeuw. Er werden geen diensten meer gehouden en het diende zelfs een tijdje als pakhuis. Door het toenemende aantal leerlingen ontstond ruimtegebrek in de plaatselijke school en in 1843 werd de kapel verbouwd tot lagere school. De school zou tot circa 1933 voortbestaan en werd toen opgeheven, waardoor de leerlingen uit Bronkhorst vanaf die tijd in Steenderen naar school moesten.

Dominee A.M. Nortier pleitte er in 1954 voor de voormalige kapel opnieuw te gebruiken voor godsdienstoefeningen en onder anderen dankzij Dr. J.H. van Heek en Mr. A. Staring van de Wildenborgh in Vorden kwamen fondsen vrij voor de restauratie. Deze begon in 1960 op basis van een tekening van Jan de Beyer uit 1742.
Het uurwerk uit de toren verdween en de ingang van de kapel werd aan de zuidzijde geplaatst, omdat de aanbouw aan de noordzijde, met toiletten, bergplaatsen voor de school en de ingang, werd afgebroken.

In 2011 is de kapel overgedragen aan Gelderse Kerken.




